Nieuwe baan

Ik heb een nieuwe baan. En ik durf wel te zeggen dat dit voor veel mensen nogal als een verrassing kwam. ‘Jeetje, wat een nieuws!’, was wel de meest voorkomende reactie. Gelukkig niet omdat ik word gezien als het ‘meubilair’ van Bespeak, maar omdat ze vinden dat ik in projecten een verschil maak en ze mij zullen missen. En daar ben ik best trots op. Vertellen dat je weggaat is in dat opzicht trouwens heel leuk: goed voor je ego ;-).

Het proces naar een nieuwe baan

Hoe is die nieuwe baan er gekomen? Dat was een proces dat begon met twijfelen (zal ik wel…, zal ik niet…?), denken over wat ik op zou geven en wat ik ervoor terug zou krijgen en eindigde met het doorhakken van de knoop.

Ik heb 11 jaar en 5 maanden bij Bespeak gewerkt. In die jaren heb ik veel mooie projecten gedaan, veel geleerd en met leuke mensen samengewerkt. De projecten werden steeds groter en complexer en er kwamen ook steeds meer collega’s bij (van 3 in het begin naar ongeveer 35 nu). Die ontwikkelingen en de groei van het bedrijf, hebben ervoor gezorgd dat het voor mij al die jaren leuk bleef. Mijn functie veranderde en dat gaf nieuwe uitdagingen en kansen. Tegelijkertijd had het ook andere kanten. Met zijn drieën werken is nu eenmaal anders dan met 35.

“Nieuwe baan” verder lezen

Lageropgeleid of praktisch opgeleid?

‘Stop met mensen lageropgeleid noemen. Ze zijn praktisch opgeleid. Dat is niet slechter dan theoretisch opgeleid.’ Deze uitspraak deed opiniemaker en ondernemer Marianne Zwagerman eind vorige week bij een bijeenkomst met ondernemers. Tussen de paasbrunch en het paasdiner ging haar uitspraak viral op social media. Afgelopen week ging dat door op Twitter en LinkedIn. Een discussie met voor- en tegenstanders werd het trouwens niet. Ik zag vooral ‘eens’ reacties.

Als onderwijskundige werk ik vooral voor mbo- en beroepsgericht onderwijs. De lageropgeleiden of praktisch opgeleiden dus. Wat vind ik van de uitspraak van Marianne Zwagerman? En hoe kijk ik vanuit mijn werk naar de termen lageropgeleid en praktisch opgeleid?

“Lageropgeleid of praktisch opgeleid?” verder lezen

Formatief toetsen in het schaatsen

Zo vlak voor het einde van het schaatsseizoen, kan deze blogpost nog net… Ik weet niet beter of je hoort te kunnen schaatsen. Voor mijn ouders hoorde dat bij de opvoeding. Als baby ging ik al in de kinderwagen mee over het ijs. Later ging ik op schaatsles. Daar leerde ik spelenderwijs de techniek. Bijna ongemerkt ging ik steeds beter en sneller schaatsen. Ik vond het vooral erg leuk en heb ook nu nog profijt van wat ik toen geleerd heb.

Voor topschaatsers gaat dat proces net wat anders. Leren en jezelf verbeteren is een veel bewuster proces. Dat moet, want het kunnen de kleinste veranderingen in techniek zijn die het verschil maken tussen jou en je concurrent, tussen winst en verlies en tussen een baanrecord of niet. Eén van de succesvolste schaatscoaches is Jac Orie. Vanaf 2002 pakten zijn schaatsers tijdens elke Olympische Spelen wel één of meer gouden plakken. Jac Orie heeft een wetenschappelijke achtergrond en gebruikt die in de topsport. Alles wordt gemeten, data worden opgeslagen en van daaruit wordt verder gedacht.  Hij zegt: ‘Het is eigenlijk trainen, testen, trainen, testen, trainen en testen; een soort cirkel. En in die cirkel staat leren.’ Feitelijk is wat hij doet een vorm van formatief toetsen.

“Formatief toetsen in het schaatsen” verder lezen

7 tips voor het werken met inhoudsdeskundigen

In theorie ben ik een hele goede kapper (en het is voor iedereen beter als ik dat niet in de praktijk uitvoer), weet waar het om gaat in het koksvak en zou het best goed doen als medewerker van een bouwmarkt. Dat heb ik vooral geleerd van inhoudsdeskundigen. Door met ze te praten en de praktijk te ervaren. Zo heb ik bijvoorbeeld een praktijkles knippen gehad en reed ik mee in een kiepauto over een zandbaan.

Waarom zijn inhoudsdeskundigen nodig?

Inhoudsdeskundigen zijn altijd nodig. Een project kan niet zonder inhoudsdeskundigen. Als onderwijskundige weet je veel over leren. Die kennis gebruik je om leermiddelen te maken. Dat kun je niet alleen af met je onderwijskundige kennis. Je hebt ook inhoud nodig. Vanuit je eigen werk- en denkniveau maak je een begin met die inhoud, bijvoorbeeld door informatie te verzamelen en bestaand (les)materiaal te lezen. Om die inhoud goed te kunnen plaatsen, heb je inhoudsdeskundigen nodig. Zij kunnen je helpen om te bepalen wat belangrijk is en wat niet, relevante en actuele voorbeelden geven en vertellen of wat je hebt opgeschreven klopt. Voor de ‘makkelijker’ te begrijpen onderwerpen heb je trouwens net zo hard inhoudsdeskundigen nodig als voor de ‘moeilijker’ te begrijpen onderwerpen. Een onderwijskundige is namelijk geen kapper, kok, bouwmarktmedewerker of vul maar aan met elk willekeurig beroep. Je kijkt van buitenaf naar het beroep en hebt hulp nodig om van binnenuit naar het beroep te kunnen kijken. Hierdoor snap je waar het echt over gaat en kun je uiteindelijk het verschil maken in het leermiddel.

“7 tips voor het werken met inhoudsdeskundigen” verder lezen

Mindgym, sportschool voor de geest

Mindgym, sportschool voor de geest gaat over hoe je in 12 weken meer focus, rust en energie kunt creëren. Voor het lezen was ik een beetje sceptisch. Zouden het niet te veel open deuren zijn of dingen die ik al weet? Zou het niet te zweverig zijn? Met mindfullness en meditatie heb ik niet zoveel. Toch ben ik eraan begonnen. De laatste tijd heb ik best veel op mijn bordje liggen. Om dat goed te kunnen doen, probeer ik zo productief mogelijk te werken. En nieuwe inzichten daarvoor zijn altijd welkom.

Mindgym, sportschool voor je geest

“Mindgym, sportschool voor de geest” verder lezen

Zo’n onderwijskundige die er niets van snapt

Ik lees de artikelen van Japke-d. Bouma graag. Voor NRC onderzoekt hij ‘het nut van jeukjargon en managementmethodes’. Deze keer sprak hij met de leraar van het jaar 2017 over jargon in het onderwijs. Ik verwachtte een artikel dat ik zou herkennen en waar ik om zou moeten lachen, want ik weet ook wel dat er vreselijk jargon is. In plaats daarvan werd ik er een beetje boos van. Vooral omdat de oorzaak gelegd wordt bij ‘zo’n onderwijskundige die er niets van snapt’. Boos worden is natuurlijk zonde van de energie. Het leek me daarom een goed idee om dat van me af te schrijven.

Moedeloos van alles wat ‘moet’

Laat ik beginnen met dat ik een aantal dingen echt wel herken en begrijp dat je moedeloos wordt van alle dingen die ‘moeten’ en die bedacht zijn door anderen, die in jouw ogen te ver af staan van het onderwijs. Zeker omdat veel van die dingen er als extra bij komen en je dan maar moet zien hoe je dat voor elkaar krijgt. Emeritus hoogleraar Nederlandse geschiedenis Piet de Rooy  zegt hier zinnige dingen over in dit artikel in Trouw.

“Zo’n onderwijskundige die er niets van snapt” verder lezen

Waarom onderwijskunde studeren?

Ik kan best jaloers zijn op iedereen die uit volle overtuiging een studie heeft gekozen. Nee, dan kom ik… geen flauw idee wat ik wilde. Ik was echt een talenmeisje, maar niet geschikt om voor de klas te staan. Daar was ik (toen zeker) veel te verlegen voor. Omdat ik goed kon schrijven, kwam mijn moeder met het idee om onderwijskunde te gaan studeren. Want dan zou ik lesmateriaal kunnen schrijven. En dus schreef ik me in voor Pedagogische Wetenschappen in Leiden, met het idee om voor de afstudeerrichting onderwijskunde te kiezen.

Mijn wijsheid achteraf: ik had beter kunnen kiezen voor een opleiding die direct begint met onderwijskunde. Dat had mij in het eerste, algemene jaar veel frustraties bespaard. Ik begon de studie pas leuk te vinden tijdens de colleges van hoogleraar Joseph Kessels over bedrijfsopleidingen. Toen wist ik dat dit het was. En daar heb ik later nooit meer over getwijfeld. Sterker nog: ik zou nu niet weten wat ik anders zou willen doen.

“Waarom onderwijskunde studeren?” verder lezen